De Trollenval

In dit verhaal zie je een paar oude bekenden terug. In de Trollenschool traint de boeman uit De Tijdrovers zijn trolletjes tot stoere, dappere speurders die voor niets of niemand bang zijn

– 1 –

‘Iedereen klaar?’
Een hele rij trolletjes keek de boeman strak aan, wachtend op zijn teken.
‘Drie, twee, een…  START!’

‘GGGRRRAAAUUUWWW!!!’

De trolletjes brulden om het luidst en trokken hun lelijkste gezicht. Boosaardige blikken, uitpuilende ogen. Tanden werden langer en scherper en gingen helemaal scheef staan.

‘Goed zo,’ riep de boeman. ‘En nu nog lelijker!’

‘BLUUUURRGGGHH!!’

De trolletjes zwaaiden heftig met hun armen. Uit hun monden dropen dikke slierten kwijl. Eentje stak een paarse tong uit en liet ze langer worden. Een andere trok zijn onderlip helemaal over zijn neus, net toen er een dikke druppel groen snot uitkwam.

‘Geweldig!’ riep de boeman. ‘Nog één keer!’  

HUUUUAAAARRRGGGLLLL!!!!!

De trollen waren nu zo lelijk dat zelfs de bomen het moeilijk kregen. Eentje ging scheef staan, een andere liet met een zucht al zijn bladeren vallen.

‘Fan-tas-tisch!’ De boeman klapte in zijn handen. ‘Veel beter dan de vorige keer. Iedereen die jullie zo ziet, doet het in zijn broek van de schrik!’

‘Bliep! Bliep!’ klonk het aan het einde van de rij.

Bliepje de robot liet zijn oogjes ronddraaien en zwaaide wild met zijn armen. Zijn vingers waren scherpe, metalen klauwen geworden.
‘Hahaha,’ lachte de boeman. ‘Niet slecht, Bliepje, niet slecht. Maar je bent een robot. De beste robot die ik ken. Je hoeft toch niet te proberen om ook een trol te zijn?’
‘Bliep!’ zei de robot teleurgesteld.

De boeman haalde een grote lolly tevoorschijn. ‘De winnaar van vandaag is…’
Toen werd er aan zijn jas getrokken.
‘Wat is er, Blurkie?’
Het trolletje stak haar vinger uit. ‘Daar komt iemand!’

Een meneer in uniform kwam op hen af. Hij droeg een bril en had een klein, rood baardje. Op zijn pet stond een teken dat de boeman meteen herkende.
‘Hé, dat is de politie!’ riep Blorkie.
Ploeppie trok zijn neus luid op. ‘Wat komt die hier doen?’
‘Dat zullen we gauw genoeg zien,’ zei de boeman en hij stapte op de bezoeker af.
‘Welkom op de Trollenschool, meneer,’ zei hij beleefd.
De bezoeker gaf de boeman een kort knikje. ‘Inspecteur Diepgravers, aangenaam,’ zei hij stijfjes.

‘Fijn dat u langskomt, inspecteur,’ zei de boeman. ‘Kunnen we u ergens mee helpen?’
‘Misschien,’ zei de inspecteur ernstig. ‘Er is namelijk een groot probleem. Op drie nachten tijd werden drie banken overvallen, allemaal in dezelfde stad.’
‘Wat? Door wie?’ vroeg de boeman.
‘Dat weten we niet,’ zei de inspecteur. ‘Hoe sterk we de banken ook bewaken, de daders zijn ons altijd te slim af.’
‘Hoe raken ze binnen?’ vroeg de boeman.
‘Ze maken een gat in de muur,’ zei de inspecteur. ‘Zo gaan ze tot in de kluis en dan gaan ze er met al het goud vandoor.’
‘Ze slaan een gat in de muur en niemand merkt iets?’ vroeg de boeman verbaasd. ‘Hoe doen ze dat?
‘We staan voor een compleet raadsel,’ ging de inspecteur verder. ‘Het gat is erg klein. Niet veel groter dan… uw trolletjes.’
Het bleef even stil. De inspecteur keek de trolletjes een voor een aan, zonder iets te zeggen.
‘U… u denkt toch niet dat mijn trolletjes het gedaan hebben?’ vroeg de boeman.
De trolletjes keken boos en schudden het hoofd. ‘Natuurlijk niet,’ zei Smurkie. ‘We waren de hele tijd hier, in de Trollenschool!’

Toen begon de inspecteur te lachen.
‘Een trol die een bank overvalt zonder lawaai te maken, dat zie ik nog niet snel gebeuren,’ lachte hij.
De boeman glimlachte. Stil blijven was het allermoeilijkste om een trol aan te leren.
‘Als ik jullie moest arresteren, was ik niet alleen gekomen,’ ging de inspecteur verder. ‘Wat zou ik alleen moeten beginnen tegen een boeman en een heel leger trollen, die nergens bang voor zijn?’

De boeman haalde opgelucht adem. ‘Dat klopt,’ zei hij. ‘Mijn trollen zijn voor niets of niemand bang. En weet u, hier in de Trollenschool train ik ze tot superspeurneuzen. Hun opleiding is bijna afgerond. Als u wilt, kunnen ze u helpen om de daders te vinden. Ze zien heel goed in het donker en hun neuzen ruiken snel onraad.  Bovendien jagen ze met gemak elke vijand de stuipen op het lijf. We waren net aan het oefenen. Zal ik ze even een demonstratie laten geven?
‘Jaaa!!’ riepen de trolletjes. Blurkie en Blorkie begonnen wild in het rond te springen. Urkie liet haar ogen uitpuilen en Protski liet zijn haren helelemaal recht komen, tot ze in pieken omhoog stonden.

‘Neen, dank u,’ zei inspecteur Diepgravers zuurtjes. ‘Maar uw hulp kunnen we goed gebruiken. Er zijn al drie van de vier banken in de stad leeggeroofd. We verwachten dat de dieven vannacht bij de laatste bank zullen toeslaan. Willen jullie het gebouw bewaken?’
‘Jaaa!!!’ riepen de trollen in koor.
‘Daar hebt u het antwoord,’ zei de boeman.
‘Perfect,’ zei de inspecteur. ‘Jullie bewaken het gebouw en slaan alarm als jullie iets verdachts zien. En verschijnt er weer zo’n klein gat in de muur, dan kunnen de trolletjes er achteraan.’
‘Wij staan tot uw dienst, inspecteur,’ zei de boeman.
‘Perfect,’ zei de inspecteur. Aan de ingang van uw Trollenschool staat mijn tijgerkar. Er is plaats voor u en tien van uw trolletjes. We rijden meteen naar het bankgebouw. Als we goed doorrijden, zijn we er nog voor het donker wordt.
‘Geef me een minuutje, dan kies ik mijn beste trollen uit,’ zei de boeman.
‘In orde,’ zei de inspecteur. ‘Ik wacht jullie op aan mijn tijgerkar.’
‘Tot zo,’ zei de boeman. ‘Samen krijgen we ze zeker te pakken, inspecteur… hoe was de naam ook weer?’
‘Diepgravers.’ Hij grijnsde en schudde de hand van de boeman. ‘Ik ben er zeker van dat jullie me niet zullen teleurstellen.’

– 2 –

Het was al bijna donker. De tijgerkar kwam aan in de stad en stopte aan het bankgebouw. Tien dolle trolletjes sprongen de kar uit. Ze stormden meteen op het gebouw af. Toen klonk de stem van de boeman.
‘Stooooop!!!’
De trolletjes draaiden zich om. De boeman stond naast de tijgerkar, zijn koffer in de hand. Hij keek hen streng aan. Toen kwam hij dreigend op hen af. Zijn ogen werden groter, zijn haarslierten begonnen te bewegen. De trolletjes slikten en deden een kleine stap naar achteren.
‘Wat had ik gezegd?’ riep de boeman. ‘Eerst verzamelen! Dan uitleg! Dan verspreiden!’
Hij zwaaide dreigend met een dikke, puistige vinger. De trolletjes keken beteuterd.
‘Kunnen we die dieven niet gewoon in elkaar slaan?’ vroeg Protski.
‘Pukkels en puisten, Protski! Hoe vaak moet ik dit nog uitleggen?’ vroeg de boeman. ‘We moeten die dieven in de val lokken. We weten helemaal wie ze zijn, of hoe sterk ze zijn. Dus bewaken we dit gebouw zonder op te vallen. Wie iets verdachts opmerkt, haalt de anderen erbij. En dan zullen we ze samen vangen. Begrepen?’
‘Jaaaa!’ riepen de trolletjes.
‘Als dat maar goed gaat,’ zei inspecteur Diepgravers.
‘Maak je niet ongerust,’ zei de boeman. ‘Ik moet ze wat in toom houden, maar deze trollen zijn stuk voor stuk geweldige speurneuzen.’
‘Goed dan,’ zei de inspecteur. ‘Dan laat ik jullie maar. Ik blijf in de buurt. Veel succes!’
Hij stoof weg met zijn tijgerkar.

‘Goed, trolletjes,’ zei de boeman. Nu begint jullie opdracht. Het is niet gemakkelijk, want jullie moeten een lange tijd stil blijven. We verstoppen ons overal op en rond het bankgebouw en houden alles in de gaten. Houd jullie ogen, oren en neuzen wijd open. Wie de dieven zijn weten we niet, we weten wel dat ze klein zijn, of zichzelf kunnen verkleinen. Anders kunnen ze niet zo’n smalle tunnels graven. Zien jullie de dieven, ren er dan niet alleen op af, maar haal de anderen erbij. Samen hebben we de meeste kans om ze te pakken te krijgen. Begrepen?’

De trolletjes knikten. Toen opende de boeman zijn koffer.
‘Ik heb nog iemand meegebracht,’ zei hij.
‘Bliep!’ klonk het.
‘Bliepje!’ riepen de trolletjes blij.
‘Bliepje helpt jullie mee,’ zei de boeman. Hij is slim en handig en als jullie een gat in de muur zien, kan hij met jullie mee om te kijken wie het gemaakt heeft. Ik kan zo’n gat niet in, dus jullie luisteren dan naar Bliepje. Begrepen?’
‘Ja!’ zeiden de trollen.
‘Bliep!’ voegde Bliepje eraan toe en hij wenkte de trolletjes om mee te komen.
‘We vangen die dieven,’ zei Blurkie vurig.
‘En dan slaan we ze tot MOES!’ riep Blorkie uit.
‘We maken er gehakt van!’ voegde Snorkie eraan toe.
‘JAAA!’ riepen de andere trollen. Ze gromden en zwaaiden met hun vuisten.
‘Nee, nee, nee!’ zei de boeman. ‘We vangen ze en dan brengen we ze naar de politie!’
‘Kunnen we ze niet gewoon in elkaar slaan?’ vroeg Burpie.
De boeman schudde het hoofd.
‘Ook niet een beetje?’ vroeg Snurkie teleurgesteld.
‘Alleen als het niet anders kan,’ zei de boeman. ‘Een gevangen dief kan je vertellen waar het goud van die andere banken naartoe is. Een platgeslagen dief zal niet veel meer zeggen.’

– 3 –

Het was midden in de nacht. De trolletjes hielden de bank nu al uren in de gaten. Muisstil nog wel. Ik heb ze goed getraind, dacht de boeman trots. Hij zat verscholen achter een struik tegenover de ingang van het bankgebouw. Een trol die zo lang stil kan zijn, dat is bijna onmogelijk, dacht hij.  Hij zag Blurkie zitten, hoog op de muur van het bankgebouw. Ze had zich in een hoek verstopt en was nauwelijks zichtbaar. Blorkie zat al uren in de vuilnisbak aan de deur en hield van daaruit alles in de gaten. En daar kwam Sploerfie weer. Ze sloop voorzichtig om het gebouw heen en snuffelde met haar scherpe neus aan alles wat ze tegenkwam. De boeman stak zijn hoofd omhoog en deed teken. Sploerfie schudde het hoofd. Nog steeds niets.

Plots flitste er iets voorbij. Het ging zo snel dat het al voorbij was voordat de boeman met zijn ogen kon knipperen. Wat was dat?
Sploerfie had het ook gemerkt. Ze keek verward in het rond en begon te snuffelen. Toen knikte ze en wees naar de rechterkant.
De boeman stak twee vingers in de mond en blies er keihard op. Er klonk een fluittoon die geen mens kon horen. Maar alle trollenoren hoorden het wel. Blurkie kwam van de muur, Blorkie sprong uit de vuilnisbak. Daar was Protski ook, en Urkie. Toen kwamen Burpie en Borpie aangelopen uit de richting die Sploerfie had aangewezen.
‘Een gat! Er is een gat in de muur!’ riep Burpie.

‘Sst! Niet zo luid!’ zei de Boeman. ‘We moeten zorgen dat ze ons niet horen!’

*

Het gat in de muur was zelfs voor een trolletje eerder klein.
‘We zullen ons moeten bukken als we erdoor willen,’ zei Borpie. Hij stak zijn hoofd binnen en luisterde aandachtig.
‘Ik hoor geluid daarbinnen!’
‘Wat voor geluid?’ vroeg de boeman.
‘Ik weet het niet goed. Het lijkt wel een soort krassen. Alsof iemand de stenen openkrabt, of ervan eet.’
‘Wat kan dat toch zijn?’ vroeg de boeman zich hardop af. ‘We zullen het snel weten. Kom op trolletjes, erachteraan!’
Een voor een kropen de trolletjes het gat in. Bliepje was de laatste in de rij.
De boeman bleef buiten wachten. Het werd even heel stil. Toen scheen er opeens een fel licht op hem. Een luide stem riep: ‘Daar is hij! Houd de dief!’
Voor hij het wist stonden wel tien politiemensen voor hem, hun wapens getrokken.
‘Handen omhoog!’

*

De boeman kon niet anders dan gehoorzamen.
‘Dit is een vergissing,’ zei de boeman. ‘Ik ben…’
‘Zwijg!’ riep een agent. ‘Steek je handen uit!’
De boeman stak zijn handen uit. Twee agenten sprongen naar voren en deden hem zware boeien om.
‘We hebben hem, commissaris!’ riep een van de agenten.
De politiecommissaris was erbij komen staan.
‘Zo, dus deze lelijkerd heeft al onze banken overvallen,’ zei hij. ‘Eindelijk hebben we hem te pakken.’
‘Dit is een vergissing, commissaris,’ probeerde de boeman opnieuw.
‘Zwijg!’ riep de commissaris. ‘Je spelletje is uit. Je kleine kornuiten zijn omsingeld daarbinnen.’
‘Wat? Hoe?’ stamelde de boeman.
‘Zonder de tip van de detective waren we jullie nooit op het spoor gekomen. Maar nu zijn jullie er gloeiend bij. Breng hem naar de celwagen!’
Vier agenten grepen de boeman vast en trokken hem mee.
‘Jullie blijven hier om de uitgang te bewaken,’ zei de commissaris tegen de andere agenten. ‘Je weet maar nooit dat er een van die vervloekte trolletjes langs hier probeert te ontsnappen.’
De boeman begreep er niets van. Vier agenten duwden hem vooruit, naar de celwagen die net kwam aangereden, getrokken door twee stoere elanden. De wagen stopte. Een struise agent stapte uit. Hij keek naar de boeman. ‘Jij krijgt een nieuwe thuis, vriend. Voor lang, heel lang.’ Hij lachte en knikte naar iemand die met hem was meegekomen, een smal figuur die achter zijn brede rug verscholen stond.
‘Ah, daar is onze speurneus,’ zei de commissaris. ‘Detective, we kunnen u niet genoeg bedanken. Zonder u hadden we deze boeven nooit kunnen vangen.’
‘Met plezier, meneer de commissaris,’ zei een stem die bekend in de oren klonk. Ik stel mezelf graag in dienst van de wet.’
‘Nogmaals hartelijk dank, meneer… meneer… Hoe was uw naam ook weer?’
De man stapte naar voor en keek de boeman grijnzend aan. ‘Diepgravers. Rein Diepgravers.’

– 4 –


‘Pukkels en puisten,’ zei de boeman voor de tiende keer. ‘We hebben ons laten rollen. Alle etterbuilen nog aan toe, hoe konden we zo dom zijn?’ De trolletjes keken beteuterd. Daar zaten ze nu, de boeman en zijn tien trolletjes. In de boeien, wachtend om ondervraagd te worden.

Sploerfie was als eerste de muur binnengegaan. Ze had iets geroken. Het moet een dier zijn, zei ze, maar welk dier, dat kon ze niet zeggen. Dat was vreemd, want Sploerfie herkende elk dier met haar neus alleen. Ze waren in de kluis aangekomen. Sploerfie had nog net iets zien wegspringen. Toen waren de deuren opengegaan en was de politie binnengekomen. De trolletjes wisten niet wat ze zagen. ‘De dief is langs daar verdwenen,’ had Sploerfie nog gezegd. En toen kwam het net naar beneden. Tien dappere, superstoere trollen, gevangen als de eerste de beste klungels. Alleen Bliepje hadden ze niet gevangen. Die zat nog in de muur toen het net was gevallen.

‘We hebben het helemaal verknald,’ zuchtte Blurkie.
‘Jullie konden toch niet weten dat die Diepgravers een bedrieger is,’ zei de boeman. ‘Als ik hem te pakken krijg…’
‘Zullen we die celwagen hier in de vernieling slaan?’ stelde Urkie voor. Met een simpele ruk van zijn armen trok hij zijn boeien los. ‘We breken uit en vangen hem en maken er appelmoes van!’
‘Spaar je krachten voor later,’ zei de boeman. ‘Er zijn hier veel te veel agenten. Ze hebben jullie zo weer te pakken. We moeten iets beters verzinnen.’
Buiten klonken veel opgewonden stemmen. Een grote groep mensen was bijeengekomen. Voor zover ze konden horen, kwamen er steeds meer bij.
‘Niet te dicht bij die celwagen, mensen!’ hoorden ze de commissaris roepen. ‘Deze boeven zijn zeer gevaarlijk! Maar wees niet bang, we hebben ze eindelijk gevangen. Allemaal dankzij detective Diepgravers hier. Hij bracht ons op het spoor van die gevaarlijke trollen.’

‘Gevaarlijk, gevaarlijk,’ zei Burpie verontwaardigd. ‘Wij zijn toch helemaal niet gevaarlijk?’
‘Sst!’ zei de boeman. De valse inspecteur was beginnen spreken en hij wilde horen wat die te zeggen had.

‘Beste mensen, de mysterieuze bankovervallen zijn opgelost,’ zei Diepgravers. Er volgde een applaus van het publiek.
‘Hun leider is gevangen,’ ging hij verder. ‘Tien van zijn kornuiten ook. Maar het werk is nog niet gedaan. Veel van die trollen lopen nog altijd vrij rond. We moeten ze vinden, voor ze ons verder in gevaar kunnen brengen.’
‘O nee,’ riep Blurkie. ‘We moeten de anderen waarschuwen.’
‘Hoe dan?’ vroeg Sploerfie. ‘We raken hier nooit uit!’
‘Nu we hen ontmaskerd hebben, zijn de trollen gevaarlijker dan ooit,’ ging Diepgravers verder. ‘Die kleine mormels kunnen je zomaar bespringen in het duister. Ze zijn klein en sterk. Een huis slaan ze in geen tijd kort en klein!’
In het publiek stak groot rumoer op. De menigte klonk opgewonden, in paniek bijna. ‘Hij maakt hen bang voor ons!’ zei de boeman kwaad. ‘Waarom doet hij dat toch?’

Op dat moment begon de vloer van de celwagen te trillen. Een metalen boor kwam uit de bodem. Toen kreeg de boor tanden en begon ze een stuk uit de vloer te zagen. Door het gat dat overbleef, verscheen een robothoofd.
‘Bliep!’
‘Bliepje! Je bent vrij!’ zei Protski blij.
‘Bliep!’ Twee van Bliepjes vingers vormden een kniptang. In geen tijd waren alle boeien van de trolletjes doorgeknipt.
‘Je hebt je moment goed gekozen,’ zei de boeman. Buiten hadden Diepgravers en de agenten alle moeite om de menigte stil te krijgen.
‘Wat doen we nu?’ vroeg Blurkie.
‘Ontsnappen natuurlijk!’ zei Blorkie.
‘Hou jullie zo stil mogelijk,’ zei de boeman.
Voorzichtig kropen de trolletjes door het gat in de bodem van de celwagen.
‘Bliep?’ vroeg Bliepje. Zijn hand was veranderd in een grote, scherpe zaag.
De boeman schudde het hoofd. ‘Dat duurt te lang. Laat me maar hier. Als ze me ondervragen, kom ik misschien te weten waarom die Diepgravers ons in de val heeft gelokt. Waarschuw de anderen. Verspreid jullie. Laat jullie niet vangen. En probeer uit te zoeken wie die Diepgravers echt is.’
Bliepje knikte.
‘Je bent de beste trol die er is, Bliepje. Nooit gedacht dat ik dat tegen een robot zou zeggen.’
‘Bliep!’ Een metalen druppel kwam uit een van Bliepjes ogen en bleef achter op de vloer van de cel. De robot zwaaide nog een keer, en weg was hij.

Het duurde niet lang voor de ontsnapping opgemerkt was. ‘O nee, ze ontsnappen!’ riep een agent. ‘Vang ze! Hou ze tegen!’
Toen begonnen er mensen te gillen. Er ontstond een enorm rumoer, het geluid van mensen die kriskras door elkaar liepen.
‘Dat zal je leren de mensen voor ons bang te maken,’ lachte de boeman in zichzelf. In zo’n drukte zouden de trolletjes zeker kunnen ontsnappen.

De deur van de celwagen vloog open. De struise agent sprong binnen. Twee andere kwamen achter hem aan, hun wapens in de aanslag. De boeman hield zijn boeien omhoog. ‘Ik ga nergens heen hoor,’ zei hij met een brede glimlach. ‘Ik ben veel te benieuwd naar mijn nieuwe thuis.’

– 5 –

‘Ik beloof u, mensen, dat we die vreselijke trollen zullen vangen!’
De menigte was gekalmeerd. Vanuit de celwagen luisterde de boeman hoe de valse inspecteur hen weer toesprak. ‘Samen met mijn assistenten zal ik dag en nacht naar hen speuren, zowaar ik Diepgravers heet! Ik zoek, ik graaf, ik draai elke steen om. Tot we ze allemaal gevonden hebben!’
Het publiek juichte luid.
‘Maar dat kunnen we niet zonder jullie hulp,’ ging hij verder. Elke bijdrage, hoe klein ook, is welkom. Met jullie geld vorm ik het beste speurteam ter wereld!’
De mensen applaudisseerden. Er klonk een zacht gerinkel van munten die werden opgehaald.
Pukkels en puisten, dacht de boeman kwaad. Als er iemand een dief is, dan is het die Diepgravers wel. Hij besteelt de mensen zonder dat ze het beseffen!
Toen zag hij iets op de bodem van de celwagen liggen. Iets grijs. Het leek wel op een traan. De traan van Bliepje! Die kleine robot toch. Hij kon alleen maar bliep zeggen, toch wist de boeman altijd wat hij bedoelde. Waar zou hij nu zijn? De boeman was blij dat hij toch een stukje van zijn vriend bij zich had. Zo voelde hij zich net iets minder alleen.

Toen ging de deur van de celwagen open. De commissaris verscheen met vier zwaarbewapende agenten. ‘Tijd voor de ondervraging.’

– 6 –

De celwagen vertraagde. Het was een lange rit geweest. Na de ondervraging waren ze meteen vertrokken. Nu kwam de boeman bijna aan in zijn nieuwe thuis: de gevangenis.
De commissaris geloofde natuurlijk geen woord van wat hij had verteld over de valstrik. Die Diepgravers heeft het slim aangepakt, dacht de boeman. Hij liet ons een valstrik zetten voor de dieven, maar de echte valstrik was voor ons. Wie is hij toch? En waarom heeft hij het op mij en de trollen gemunt? De valse inspecteur deed de boeman een beetje denken aan die bende Tijdrovers van de Klokkentoren. Maar die zagen er helemaal anders uit. Bovendien zaten ze veilig achter slot en grendel.

‘Ho, ho, hooooo!’ riep de struise agent. De elanden kwamen tot stilstand, de celwagen stopte. De deur ging open. Daar was de commissaris. Hij had iemand bij zich.

‘Hier is hij, meneer de directeur,’ zei de commissaris. ‘Een crimineel van de ergste soort. En lelijk bovendien. Heeft met de hulp van kleine trollen verschillende banken beroofd. We konden ze te pakken krijgen, maar zijn kornuiten zijn ontsnapt. Een team van de beste speurders is naar ze op zoek.
‘We zetten hem achter de stevigste tralies,’ zei de directeur. Hij knipte met de vingers. Vier bewakers verschenen en namen de boeman mee, de celwagen uit, naar de gevangenis toe.

‘Heb je die Gravin van Zurkeltâten al gevonden?’ hoorde hij de directeur nog zeggen.
‘Helaas,’ antwoordde de commissaris. ‘Van de aardbodem verdwenen, zo lijkt het wel. Geen spoor van haar of haar handlangers.’

*

Ze hadden de koudste en donkerste cel van allemaal voor hem uitgekozen. De boeman probeerde nog steeds om alles te begrijpen. Daar zat hij nu. Hoe moest het nu verder? Hij balde zijn vuisten. Toen voelde hij iets bewegen in zijn zakken. De traan van Bliepje!
Het kleine bolletje leek wel tot leven gekomen. Het rekte uit, veranderde van vorm. En toen had de boeman een sleutel in de hand.
Bliepje, kleine robot, je bent geniaal, dacht de boeman. Toen hoorde hij voetstappen komen.
‘Word maar gauw weer een traan,’ zei hij tot de sleutel. ‘Anders nemen ze je in beslag voordat ik je kan gebruiken.’ De sleutel gehoorzaamde en kromp weer tot een kleine, metalen druppel.

De deur ging open. Een bewaker stak zijn hoofd naar binnen. Hij keek erg ongelukkig.
‘Meekomen,’ zei hij zacht. ‘De hoofdbewaker wil je spreken.’
‘Waarover?’ vroeg de boeman.
‘Dat heeft hij me niet verteld,’ zei de cipier terwijl hij de boeman zijn boeien aandeed. ‘Hij vertelt me nooit iets,’ mompelde hij nog. Toen nam hij de boeman mee.

De deur van het kantoor stond op een kier. De droevige cipier stak zijn hoofd naar binnen.
‘De gevangene is hier,’ zei hij.
‘Dank je, breng hem maar naar binnen.’ De stem van de hoofdbewaker klonk bekend. Vreemd, dacht de boeman. Van waar zou ik die nu kennen?
‘Breng je me nog een kop koffie?’ vroeg de hoofdbewaker.
De cipier liet zijn hoofd zakken en slaakte een diepe zucht. ‘Natuurlijk, meneer de hoofdbewaker.’ Hij opende de deur en liet de boeman binnenstappen.
‘Koffie, altijd weer koffie,’ mompelde de cipier tussen zijn tanden. Toen sloot hij de deur.

‘Wel wel, wie we daar hebben,’ zei de hoofdbewaker.
De boeman knipperde eens goed met zijn ogen. Toen herkende hij zijn beste vriend uit zijn kindertijd. Hoe lang was het geleden dat ze samen kattekwaad hadden uitgehaald? Voor het eerst kon de boeman weer lachen.
‘Rudolf!’ 



© Bavo De Cooman 2019
“De Tijdrovers” is een uitgave van Tiny Tale’s Bookshop