Gravin van Zurkeltâten

lees in pdfdruk af

Het was een speciale dag voor de hoofdbewaker van de gevangenis. Vandaag was de directeur ziek. Dat was de directeur anders nooit, maar nu was het dus toch zover. Eindelijk! Voor het eerst mocht de hoofdbewaker zijn plaats innemen. Wat een heerlijk gevoel was dat. Opeens vond iedereen hem belangrijk. De bewakers zeiden nu ‘dag meneer de directeur’ en zelfs de gevangenen waren beleefder tegen hem dan anders.
‘Een kopje koffie, meneer de directeur?’ vroeg zijn assistent.
De hoofdbewaker glimlachte. Normaal gezien moest hij de directeur koffie brengen, nu deed zijn assistent dat voor hem.
‘Sterke koffie graag, Rudolf,’ zei hij. ‘Een grote kop met een wolkje melk en een half suikerklontje,’ voegde hij eraan toe. Moeilijk doen over koffie is heel erg directeurachtig, dacht hij. Dus deed hij het ook maar. Wat later kwam zijn assistent met de koffie en kon hij aan het belangrijkste stuk van de dag beginnen: de krant lezen.

De gevangenen waren rustig, niemand maakte ruzie. De bewakers brachten eten, deden hun ronde en speelden tussendoor een spelletje kaart. De directeur had geen betere dag kunnen kiezen om ziek te worden, dacht de hoofdbewaker. Ik ben vandaag heel erg belangrijk en ik hoef er niets speciaals voor te doen. Hij nipte even van zijn koffie en ging als een echte directeur aan zijn bureau zitten: achteroverleunend in zijn stoel, met de krant opengevouwen en de benen op tafel.

Toen vloog de deur open en stormde de assistent binnen.
‘Meneer!’
De hoofdbewaker schrok en viel met stoel en al achterover. De krant scheurde, de koffiekop viel om. Koffie op de broek, het kopje in duizend stukken op de grond.
‘Kijk nu wat je gedaan hebt!’ riep hij kwaad toen hij weer was overeind gekrabbeld. ‘Kon je niet kloppen?’
‘Er is bezoek, meneer,’ zei de assistent.
‘Meneer de directeur,’ verbeterde de hoofdbewaker hem streng.
‘Excuseer, meneer de directeur,’ zei de assistent. ‘Er is bezoek. De gravin van Zurkeltâten.’
‘De gravin van wat?’
‘van Zurkeltâten,’ zei de assistent. ‘Met zo’n dakje op de â. Ze komt…’
‘… de gevangenis inspecteren!’ zei een vrouwenstem luid. ‘Ik ben de Gravin van Zurkeltâten. Het kan toch niet dat u nog nooit van mij gehoord hebt!’
In de deuropening stond een statige dame. Op haar grijze haren droeg ze een sierlijke hoed zoals alleen gravinnen kunnen dragen. Ze had een scherpe neus en keek de hoofdbewaker aan met felle, kleine oogjes. Achter haar stond een kale meneer met een grote bril en een rood baardje.
‘Dit is Rein, mijn assistent,’ zei de gravin. ‘Bij onze inspectie van deze gevangenis hebben wij een bijzonder oog voor netheid.’
De gravin keek met een strenge blik in het rond. Naar het plafond. Naar de muren. Naar de vloer. Intussen streelde ze de bontsjaal om haar hals. Toen bewoog de sjaal en gaf hij haar likjes terug.
Dat is geen sjaal, dacht de hoofdbewaker. Dat is een beestje! Hij had nog nooit zoiets gezien. Een langwerpig beestje met een wollige vacht en zes kleine pootjes. Het had een schattig konijnenkopje, met lange oren, maar de ogen keken hem ijskoud aan.

De hoofdbewaker schaamde zich opeens diep. Hij trok zijn kleren recht en probeerde de koffievlek op zijn broek te verbergen door achter het bureau te gaan staan.
‘Excuseert u mij, mevrouw de gravin van Tur… Zur… Kurkelflaten,’ stamelde de hoofdbewaker. ‘De directeur is ziek. Ik ben de hoofdbewaker en ik… ik ben vandaag zijn vervanger. Als hij me had verteld dat u zou komen, dan had ik natuurlijk…’
‘Ten eerste: het is Van Zurkeltâten. Met een dakje op de â,’ sprak de gravin scherp. ‘Ten tweede: Wij zijn van de speciale inspectie. Wij kondigen nooit ons bezoek aan!’
‘Zal ik u door de gevangenis rondleiden, mevrouw van Kur… Tur… Flurkelzaten?’ stelde de hoofdbewaker voor.
‘Het is van Zurkeltâten!’ brieste de gravin. ‘Met een dakje op de â!’
De hoofdbewaker kromp ineen. ‘Natuurlijk, mevrouw… mevrouw de gravin,’ bracht hij uit.

De gravin pakte een klembord en begon te noteren. Haar scherpe neus bewoog op en neer terwijl ze schreef. Haar oog viel op de scherven op de grond. Ze schudde het hoofd.
‘Wat een rommeltje, meneer de hoofdbewaker!’
Ze glimlachte, alsof ze er plezier in had. ‘Ik denk dat uw assistent dit nu mag opruimen.’ Ze knipte met haar vinger.
‘Natuurlijk, natuurlijk,’ zei de hoofdbewaker zenuwachtig. ‘Rudolf, pak een bezem!’
Rudolf maakte een haastige buiging en ging aan het werk.
‘Schoon is anders, meneer de hoofdbewaker,’ zei de gravin streng. Ze streek met haar vinger over het bureau en stak hem naar hem uit. ‘Ziet u? Stof! En daarboven in de hoek, is dat een spinnenweb? Ik stel voor dat uw bewakers maar aan het poetsen gaan!’

*

Het duurde niet lang of overal waren bewakers in de weer met stoffers, bezems en dweilen. Ondertussen liet de gravin zich door de gevangenis rondleiden.
‘Dag meneer de directeur,’ zei een groep gevangenen in koor.
‘Wat een beleefde gevangenen hebt u hier,’ zei de gravin. ‘Eindelijk een pluspunt, na al die viezigheid. Wie zijn die mensen?’
‘Men noemt ze de Tijdrovers,’ zei de hoofdbewaker. ‘Ze hebben veel misdaan, maar ik moet toegeven: bravere gevangenen dan deze hebben we nog niet gehad. Altijd gehoorzaam en altijd vriendelijk.’
‘En proper ook,’ zei de gravin. Ze wenkte een van de gevangenen. ‘Jij, steek eens je handen uit!’
De gevangene stak zijn handen door de tralies. De gravin inspecteerde zijn handen en vingers heel nauwkeurig.
‘Proper gewassen, zelfs de nagels netjes geveild. Ongelofelijk,’ zei de gravin. ‘Laat nu eens je tanden zien.’
Ze haalde een vergrootglas uit haar tas en onderzocht het gebit van de gevangene lang en grondig.
Toen nam ze opnieuw haar klembord en begon te schrijven.
‘Glanzend witte tanden, geen vuiltje ertussen!’ riep ze uit. ‘Meneer de hoofdbewaker, uw gevangenen zijn een stuk schoner dan de gevangenis zelf. Dit had ik absoluut niet verwacht. De netheid van de gevangenis blijft een werkpunt. Die van uzelf trouwens ook,’ zei ze met een blik op de koffievlek op zijn broek.
‘De gevangenen zitten netter in het pak dan uzelf, dat kan toch niet,’ ging ze verder. ‘Over een paar weken kom ik dit opnieuw inspecteren. Maar voor netheid en beleefdheid van de gevangenen krijgt u alvast een tien. Rein, de medaille!’
De assistent van de gravin haalde een gouden medaille boven. De hoofdbewaker voelde zijn hart zwellen van trots toen hij de medaille op de borst gespeld kreeg.
‘Als de gevangenis bij mijn volgende bezoek helemaal net en schoon is, krijgt u nog een medaille, meneer de hoofdbewaker.’ De stem van de gravin klonk zo zoet dat ze wel van suikerstroop leek. Het beestje om haar hals gaf hem een snoezige blik. De hoofdbewaker kreeg meteen zin om het te aaien.
‘Ik stel voor dat u de hygiëne in uw gevangenis voortaan serieus neemt,’ ging de gravin verder. ‘Uw muren kunnen ook wel een likje verf gebruiken.’ Ze knipte met haar vingers. ‘Rein, de geldbuidel!’
De assistent kwam naar voor en reikte de hoofdbewaker een zak munten aan. ‘Ziezo, dit geld kunt u gebruiken om uw gevangenis in een nieuw kleurtje te steken,’ zei de gravin.

De hoofdbewaker voelde zijn hart springen van blijheid. Dit waren veel meer goudstukken dan nodig was voor een nieuwe laag verf. Met het overschot kon hij misschien iets extra’s kopen voor zichzelf en de bewakers. Gouden knopen voor hun uniformen. Of nee, elke dag slagroomtaartjes bij de koffie in plaats van die droge koekjes altijd. Dat leek hem wel wat.
‘Intussen neem ik deze gevangenen mee,’ zei de gravin. Ze streelde zachtjes het beestje om haar hals. Haar ogen twinkelden, haar scherpe neus bewoog op en neer. ‘Ik neem hen mee naar andere gevangenissen, als voorbeeld van hoe het beter kan. Ik vermeld natuurlijk uw naam en die van uw gevangenis. Ere wie ere toekomt!’
‘Maar, hoe zit het dan met hun straf?’ vroeg de hoofdbewaker. ‘Ze moeten nog tien jaar uitzitten!’
De gravin maakte een wuifgebaar met haar handen. ‘Ik hou hen wel aan het werk in de hoofdgevangenis van Olibollia,’ zei ze. Onze gevangenis is heel erg groot, en ze kunnen daar dan wel de vloeren schrobben. Is dat goed voor jullie, heren?’
‘Natuurlijk, mevrouw de gravin,’ zeiden de gevangenen in koor. ‘Wij laten uw gevangenis blinken als een spiegel!’ voegde een van hen eraan toe. ‘Tot in de kleinste hoeken!’ zei een ander.
‘Zo mag ik het horen,’ zei de gravin. ‘Meneer de hoofdbewaker, opent u de deur van hun cellen?’
Gehoorzaam pakte de hoofdbewaker de sleutels en opende de poorten van de cellen. Zijn gedachten waren nog bij het goud en wat hij er allemaal mee kon doen.
‘Rein, doe ze voor de zekerheid maar boeien om. We willen toch niet dat ze ontsnappen, hè?’
De assistent grijnsde en haalde een reeks handboeien uit zijn tas.
‘Natuurlijk, mevrouw de gravin,’ zei hij met een schalkse glimlach. De gevangen staken gehoorzaam hun handen uit. Het duurde niet lang of hij had hen allemaal vastgemaakt.

‘Zo, meneer de hoofdbewaker, dan gaan wij nu met onze gevangenen terug naar Olibollia. Knap de gevangenis maar mooi verder op, dan krijgt u vast nog een medaille als ik terugkom om de netheid opnieuw te inspecteren,’ zei de gravin.
‘Uw directeur zal tevreden zijn met zo’n nette gevangenis, als hij weer genezen is,’ voegde Rein de assistent eraan toe.
Een van de gevangen maakte een buiging naar de hoofdbewaker. ‘Wij danken u voor de goede behandeling in deze gevangenis,’ zei hij plechtig. ‘Het eten was lekker, de bewakers waren vriendelijk voor ons. We wensen u hier nog veel mooie dagen met de andere bewakers, en hopelijk nog veel andere lieve gevangenen.’ De hoofdbewaker was ontroerd. Nog nooit had hij zulke vriendelijke gevangenen gehad.

*

En zo vertrok de gravin van Zurkeltâten met haar assistent en de groep Tijdrovers. Naar Olibollia, of hoe die plaats ook mocht heten, dacht de hoofdbewaker terwijl hij hen uitzwaaide. Hij had nog nooit van een hoofdgevangenis in Olibollia gehoord, maar toch klonk de naam hem bekend in de oren. De directeur heeft er wellicht iets over verteld, het schiet me nog wel te binnen, dacht hij. Maar er waren belangrijker zaken nu. Zijn eerste dag als vervangend directeur was halverwege, en hij had een zak vol gouden munten in de hand. Daar kon hij veel, heel veel mee doen. Met een blije glimlach ging hij weer naar binnen.

 

 

© Bavo De Cooman 2017
Illustratie door Jellie Goedhart
De Tijdrovers is een uitgave van Tiny Tale’s Bookshop